stijven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stijven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stijven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stijvend
Past participle - Verleden deelwoord: gesteven

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstijf
jijstijft
hijstijft
wijstijven
julliestijven
zijstijven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesteven
jijhebt gesteven
hijheeft gesteven
wijhebben gesteven
julliehebben gesteven
zijhebben gesteven

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksteef
jijsteef
hijsteef
wijsteven
julliesteven
zijsteven

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesteven
jijhad gesteven
hijhad gesteven
wijhadden gesteven
julliehadden gesteven
zijhadden gesteven

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stijven
jijzult stijven
hijzal stijven
wijzullen stijven
julliezullen stijven
zijzullen stijven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesteven hebben
jijzult gesteven hebben
hijzal gesteven hebben
wijzullen gesteven hebben
julliezullen gesteven hebben
zijzullen gesteven hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stijven
jijzou stijven
hijzou stijven
wijzouden stijven
julliezouden stijven
zijzouden stijven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesteven hebben
jijzou gesteven hebben
hijzou gesteven hebben
wijzouden gesteven hebben
julliezouden gesteven hebben
zijzouden gesteven hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstijf

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information