snellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of snellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: snellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snellend
Past participle - Verleden deelwoord: gesneld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksnel
jijsnelt
hijsnelt
wijsnellen
julliesnellen
zijsnellen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesneld
jijhebt gesneld
hijheeft gesneld
wijhebben gesneld
julliehebben gesneld
zijhebben gesneld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksnelde
jijsnelde
hijsnelde
wijsnelden
julliesnelden
zijsnelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesneld
jijhad gesneld
hijhad gesneld
wijhadden gesneld
julliehadden gesneld
zijhadden gesneld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal snellen
jijzult snellen
hijzal snellen
wijzullen snellen
julliezullen snellen
zijzullen snellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesneld hebben
jijzult gesneld hebben
hijzal gesneld hebben
wijzullen gesneld hebben
julliezullen gesneld hebben
zijzullen gesneld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou snellen
jijzou snellen
hijzou snellen
wijzouden snellen
julliezouden snellen
zijzouden snellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesneld hebben
jijzou gesneld hebben
hijzou gesneld hebben
wijzouden gesneld hebben
julliezouden gesneld hebben
zijzouden gesneld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsnel

Translations

  • bundle, intransitive: to hurry
  • scurry, to run away with quick light steps
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    ijlen
    rennen, reppen, stormen, vliegen

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information