knellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of knellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: knellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: knellend
Past participle - Verleden deelwoord: gekneld

Cognates

See the 2 cognates of knellen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikknel
jijknelt
hijknelt
wijknellen
jullieknellen
zijknellen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekneld
jijhebt gekneld
hijheeft gekneld
wijhebben gekneld
julliehebben gekneld
zijhebben gekneld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikknelde
jijknelde
hijknelde
wijknelden
jullieknelden
zijknelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekneld
jijhad gekneld
hijhad gekneld
wijhadden gekneld
julliehadden gekneld
zijhadden gekneld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal knellen
jijzult knellen
hijzal knellen
wijzullen knellen
julliezullen knellen
zijzullen knellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekneld hebben
jijzult gekneld hebben
hijzal gekneld hebben
wijzullen gekneld hebben
julliezullen gekneld hebben
zijzullen gekneld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou knellen
jijzou knellen
hijzou knellen
wijzouden knellen
julliezouden knellen
zijzouden knellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekneld hebben
jijzou gekneld hebben
hijzou gekneld hebben
wijzouden gekneld hebben
julliezouden gekneld hebben
zijzouden gekneld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijknel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

drukken
knijpen

Sample Sentences

  • [...] in zijn schik, dat hij schier zoo deftig uitgedost was als zijn meester. Wel was hij in het eerst zeer linksch in al zijne bewegingen, zijn broek belemmerde hem geweldig, en de mouwen van zijne buis knelden hem, maar nadat ik ze hier en daar wat wijder gemaakt had, en hij er aan gewoon raakte, kon hij er zeer goed mede te regt komen. (Robinson Crusoe)

Etymology

Uncertain. Perhaps borrowed from Middle High German *knellen (as in Middle High German zerknellen (“to crumple, crush, shatter, squash”)), perhaps from Middle High German knellen (“to bang, burst”), whence archaic German knellen (“to bang, slam, pop”). See: Middle High German '*knellen', Middle High German 'zerknellen', Middle High German 'knellen', German, old spelling 'knellen'.

Additional Information