stormen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stormen

The word "stormen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stormen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stormend
Past participle - Verleden deelwoord: gestormd

Cognates

See the 6 cognates of stormen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstorm
jijstormt
hijstormt
wijstormen
julliestormen
zijstormen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestormd
jijhebt gestormd
hijheeft gestormd
wijhebben gestormd
julliehebben gestormd
zijhebben gestormd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstormde
jijstormde
hijstormde
wijstormden
julliestormden
zijstormden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestormd
jijhad gestormd
hijhad gestormd
wijhadden gestormd
julliehadden gestormd
zijhadden gestormd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stormen
jijzult stormen
hijzal stormen
wijzullen stormen
julliezullen stormen
zijzullen stormen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestormd hebben
jijzult gestormd hebben
hijzal gestormd hebben
wijzullen gestormd hebben
julliezullen gestormd hebben
zijzullen gestormd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stormen
jijzou stormen
hijzou stormen
wijzouden stormen
julliezouden stormen
zijzouden stormen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestormd hebben
jijzou gestormd hebben
hijzou gestormd hebben
wijzouden gestormd hebben
julliezouden gestormd hebben
zijzouden gestormd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstorm

Translations

  • storm, to move quickly and noisily
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch stormen. Equivalent to storm + -en.

    Verbs referencing "stormen"

    English storm.

    Additional Information