sinteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sinteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sinteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sinterend
Past participle - Verleden deelwoord: gesinterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksinter
jijsintert
hijsintert
wijsinteren
julliesinteren
zijsinteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesinterd
jijhebt gesinterd
hijheeft gesinterd
wijhebben gesinterd
julliehebben gesinterd
zijhebben gesinterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksinterde
jijsinterde
hijsinterde
wijsinterden
julliesinterden
zijsinterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesinterd
jijhad gesinterd
hijhad gesinterd
wijhadden gesinterd
julliehadden gesinterd
zijhadden gesinterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sinteren
jijzult sinteren
hijzal sinteren
wijzullen sinteren
julliezullen sinteren
zijzullen sinteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesinterd hebben
jijzult gesinterd hebben
hijzal gesinterd hebben
wijzullen gesinterd hebben
julliezullen gesinterd hebben
zijzullen gesinterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sinteren
jijzou sinteren
hijzou sinteren
wijzouden sinteren
julliezouden sinteren
zijzouden sinteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesinterd hebben
jijzou gesinterd hebben
hijzou gesinterd hebben
wijzouden gesinterd hebben
julliezouden gesinterd hebben
zijzouden gesinterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsinter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information