dicteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dicteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dicteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dicterend
Past participle - Verleden deelwoord: gedicteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdicteer
jijdicteert
hijdicteert
wijdicteren
julliedicteren
zijdicteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedicteerd
jijhebt gedicteerd
hijheeft gedicteerd
wijhebben gedicteerd
julliehebben gedicteerd
zijhebben gedicteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdicteerde
jijdicteerde
hijdicteerde
wijdicteerden
julliedicteerden
zijdicteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedicteerd
jijhad gedicteerd
hijhad gedicteerd
wijhadden gedicteerd
julliehadden gedicteerd
zijhadden gedicteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dicteren
jijzult dicteren
hijzal dicteren
wijzullen dicteren
julliezullen dicteren
zijzullen dicteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedicteerd hebben
jijzult gedicteerd hebben
hijzal gedicteerd hebben
wijzullen gedicteerd hebben
julliezullen gedicteerd hebben
zijzullen gedicteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dicteren
jijzou dicteren
hijzou dicteren
wijzouden dicteren
julliezouden dicteren
zijzouden dicteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedicteerd hebben
jijzou gedicteerd hebben
hijzou gedicteerd hebben
wijzouden gedicteerd hebben
julliezouden gedicteerd hebben
zijzouden gedicteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdicteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

opgeven
meegeven, opdragen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch dicteren, from Middle French dicter, from Latin dictō. See: Latin 'dictō'.

Additional Information