citeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of citeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: citeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: citerend
Past participle - Verleden deelwoord: geciteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikciteer
jijciteert
hijciteert
wijciteren
jullieciteren
zijciteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geciteerd
jijhebt geciteerd
hijheeft geciteerd
wijhebben geciteerd
julliehebben geciteerd
zijhebben geciteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikciteerde
jijciteerde
hijciteerde
wijciteerden
jullieciteerden
zijciteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geciteerd
jijhad geciteerd
hijhad geciteerd
wijhadden geciteerd
julliehadden geciteerd
zijhadden geciteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal citeren
jijzult citeren
hijzal citeren
wijzullen citeren
julliezullen citeren
zijzullen citeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geciteerd hebben
jijzult geciteerd hebben
hijzal geciteerd hebben
wijzullen geciteerd hebben
julliezullen geciteerd hebben
zijzullen geciteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou citeren
jijzou citeren
hijzou citeren
wijzouden citeren
julliezouden citeren
zijzouden citeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geciteerd hebben
jijzou geciteerd hebben
hijzou geciteerd hebben
wijzouden geciteerd hebben
julliezouden geciteerd hebben
zijzouden geciteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijciteer

Translations

  • quote, to refer to a statement that has been made by someone else
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanhalen
    herhalen, ontlenen
    overnemen
    aanhalen, overschrijven

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French citer, from Latin citō. See: Latin 'citō'.

    Additional Information