Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: rukken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rukkend
Past participle - Verleden deelwoord: gerukt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | ruk |
| jij | rukt |
| hij | rukt |
| wij | rukken |
| jullie | rukken |
| zij | rukken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gerukt |
| jij | hebt gerukt |
| hij | heeft gerukt |
| wij | hebben gerukt |
| jullie | hebben gerukt |
| zij | hebben gerukt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | rukte |
| jij | rukte |
| hij | rukte |
| wij | rukten |
| jullie | rukten |
| zij | rukten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gerukt |
| jij | had gerukt |
| hij | had gerukt |
| wij | hadden gerukt |
| jullie | hadden gerukt |
| zij | hadden gerukt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal rukken |
| jij | zult rukken |
| hij | zal rukken |
| wij | zullen rukken |
| jullie | zullen rukken |
| zij | zullen rukken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gerukt hebben |
| jij | zult gerukt hebben |
| hij | zal gerukt hebben |
| wij | zullen gerukt hebben |
| jullie | zullen gerukt hebben |
| zij | zullen gerukt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou rukken |
| jij | zou rukken |
| hij | zou rukken |
| wij | zouden rukken |
| jullie | zouden rukken |
| zij | zouden rukken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gerukt hebben |
| jij | zou gerukt hebben |
| hij | zou gerukt hebben |
| wij | zouden gerukt hebben |
| jullie | zouden gerukt hebben |
| zij | zouden gerukt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'rukken'
aanbaffen,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrukken,
aaneenplakken,
aaneenstrikken,
aanfokken,
aankwakken,
aanlokken,
aanpakken,
aanpassen,
aanpikken,
aanplakken,
aanploffen,
aanprikken,
aanschaffen,
aansloffen,
aanstikken,
aanstoffen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'rukken'
bukken,
drukken,
jukken,
krukken,
lukken,
rekken,
ruiken,
afrukken,
bakken,
dekken,
Translations
pluck, to pull something sharply; to pull something out
tug, to pull repeatedly
yank, to pull something with a quick, strong action
Sample Sentences
-
[...] ging, en op het strand twee kanoes zag, waaruit elf wilden stapten, en dat zij een anderen wilde medebragten, dien zij wilden dooden om hem op te eten, maar juist toen zij hem wilden slagten, rukte de wilde zich plotseling los, en nam de vlugt. Daarop verbeeldde ik mij, dat hij door het digte bosch voor mijne vesting zwierf om zich daarin te verbergen; en dat ik, ziende dat hij alleen was, en [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] verschrikt en verbaasd, dat hij van angst trilde en ik dacht dat hij neergevallen zou zijn. Hij zag het geitje niet, dat ik gedood had, en had ook niet bemerkt dat ik er op aangelegd had, maar hij rukte zijn buis open, om te zien of hij ook gewond was, en begreep, dat ik voornemens was hem te dooden, want hij viel voor mij neder, omhelsde mijne knieën, en zeide mij veel dat ik niet verstaan kon, [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] daar ik wist, dat zij zeer goed gewapend waren. Ik besloot af te wachten of zij zich niet zouden verdeelen, en om derhalve te beter de overmagt op hen te hebben, liet ik mijne hinderlaag naderbij rukken, en gelastte Vrijdag en den kapitein op handen en voeten, en zoo digt langs den grond als zij konden, naar hen toe te kruipen en hen zoo digt mogelijk te naderen, alvorens zij vuur gaven.
(Robinson Crusoe)
-
[...] bootsman viel dood neder; de man, die bij hem was, had een kogel in het lijf gekregen en viel naast hem, schoon hij eerst een paar uur daarna stierf, en de derde liep weg. Toen ik het vuren hoorde, rukte ik onmiddellijk met mijn geheele leger op, dat thans uit acht man bestond, te weten, ik als generaal en chef, Vrijdag als mijn luitenant-generaal; de kapitein en zijne twee lieden, en de drie [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] allen noemden mij gouverneur. Om kort te gaan, allen legden de wapens neder en smeekten om lijfsgenade, en ik zond den man, die met hen gesproken had, met nog twee af, die hen allen bonden; en toen rukte mijn leger van vijftig man op, maar dat met die drie eigenlijk uit acht man bestond, en maakte zich van hen en van hunne boot meester, schoon ik mij met nog een man, uit staatkundige redenen, buiten [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch rucken, from Old Dutch *rukken, from Proto-West Germanic *rukkijan, from Proto-Germanic *rukkijaną. See: Proto-Germanic '
*rukkijaną'.
Additional Information