hinderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hinderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hinderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hinderend
Past participle - Verleden deelwoord: gehinderd

Cognates

See the 3 cognates of hinderen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhinder
jijhindert
hijhindert
wijhinderen
julliehinderen
zijhinderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehinderd
jijhebt gehinderd
hijheeft gehinderd
wijhebben gehinderd
julliehebben gehinderd
zijhebben gehinderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhinderde
jijhinderde
hijhinderde
wijhinderden
julliehinderden
zijhinderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehinderd
jijhad gehinderd
hijhad gehinderd
wijhadden gehinderd
julliehadden gehinderd
zijhadden gehinderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hinderen
jijzult hinderen
hijzal hinderen
wijzullen hinderen
julliezullen hinderen
zijzullen hinderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehinderd hebben
jijzult gehinderd hebben
hijzal gehinderd hebben
wijzullen gehinderd hebben
julliezullen gehinderd hebben
zijzullen gehinderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hinderen
jijzou hinderen
hijzou hinderen
wijzouden hinderen
julliezouden hinderen
zijzouden hinderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehinderd hebben
jijzou gehinderd hebben
hijzou gehinderd hebben
wijzouden gehinderd hebben
julliezouden gehinderd hebben
zijzouden gehinderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhinder

Translations

  • disrupt, to interrupt or impede something
  • hinder, to make difficult to accomplish
  • hinder, to keep back; to delay or impede
  • interfere, sexually molest
  • stem, to stop, hinder
  • stymie, to thwart or stump
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    belemmeren
    bevorderen, aanmoedigen, stimuleren
    lastigvallen
    ophouden, storen, vervelen
    dwarszitten
    irriteren

    Sample Sentences

    • Al dien tijd werkte ik hard, hoewel de regen mij vele dagen, ja weken achtereen hinderde; maar ik achtte mij niet veilig voor de geheele muur af was; en men kan naauwelijks gelooven, welken ontzettenden arbeid alles vereischte, vooral het halen van de palen uit het bosch, en hen in den [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch hinderen, from Old Dutch *hindaron, from Proto-Germanic *hinderōną. See: Old Dutch '*hindaron', Proto-Germanic '*hinderōną'.

    Verbs referencing "hinderen"

    English hinder, German, Pennsylvania hinnere.

    Additional Information