Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: fokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fokkend
Past participle - Verleden deelwoord: gefokt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | fok |
| jij | fokt |
| hij | fokt |
| wij | fokken |
| jullie | fokken |
| zij | fokken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gefokt |
| jij | hebt gefokt |
| hij | heeft gefokt |
| wij | hebben gefokt |
| jullie | hebben gefokt |
| zij | hebben gefokt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | fokte |
| jij | fokte |
| hij | fokte |
| wij | fokten |
| jullie | fokten |
| zij | fokten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gefokt |
| jij | had gefokt |
| hij | had gefokt |
| wij | hadden gefokt |
| jullie | hadden gefokt |
| zij | hadden gefokt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal fokken |
| jij | zult fokken |
| hij | zal fokken |
| wij | zullen fokken |
| jullie | zullen fokken |
| zij | zullen fokken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gefokt hebben |
| jij | zult gefokt hebben |
| hij | zal gefokt hebben |
| wij | zullen gefokt hebben |
| jullie | zullen gefokt hebben |
| zij | zullen gefokt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou fokken |
| jij | zou fokken |
| hij | zou fokken |
| wij | zouden fokken |
| jullie | zouden fokken |
| zij | zouden fokken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gefokt hebben |
| jij | zou gefokt hebben |
| hij | zou gefokt hebben |
| wij | zouden gefokt hebben |
| jullie | zouden gefokt hebben |
| zij | zouden gefokt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'fokken'
aanbaffen,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrukken,
aaneenplakken,
aaneenstrikken,
aanfokken,
aankwakken,
aanlokken,
aanpakken,
aanpassen,
aanpikken,
aanplakken,
aanploffen,
aanprikken,
aanschaffen,
aansloffen,
aanstikken,
aanstoffen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'fokken'
dokken,
jokken,
kokken,
lokken,
mokken,
aflokken,
afnokken,
aftokken,
bakken,
bukken,
Translations
breed, to keep animals and have them reproduce
Sample Sentences
-
[...] als te voren. Door haar zoo lang op te passen werd zij tam, en leefde van het weinige gras voor mijne deur, en wilde niet weder weg. Dit deed mij voor het eerst denken eenige tamme dieren aan te fokken, ten einde voedsel van hen te hebben als mijn kruid op zou zijn.
(Robinson Crusoe)
-
[...] over en zij begonnen tam te worden. En nu begreep ik dat als ik mij zelven met geitenvleesch wilde voeden, wanneer mijn kruid en lood op zou zijn, het eenigste middel hiertoe was eenige tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde rondom mijne woning zou kunnen laten weiden. Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest afgescheiden houden, want anders zouden [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch focken, vocken, from Old Dutch *fokken, possibly of Scandinavian/North Germanic origin (compare Norwegian fukka, Swedish fokka), ultimately from Proto-Germanic *fukkōną. Likely related to English fuck or German ficken. Doublet of fucken. See: Swedish '
fokka', Proto-Germanic '
*fukkōną', English '
fuck', German, old spelling '
ficken'.
Verbs referencing "fokken"
Swedish
focka, German, old spelling
foppen, Luxembourgish
fécken, Luxembourgish
focken.
Additional Information