excelleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of excelleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: excelleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: excellerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëxcelleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikexcelleer
jijexcelleert
hijexcelleert
wijexcelleren
jullieexcelleren
zijexcelleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëxcelleerd
jijhebt geëxcelleerd
hijheeft geëxcelleerd
wijhebben geëxcelleerd
julliehebben geëxcelleerd
zijhebben geëxcelleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikexcelleerde
jijexcelleerde
hijexcelleerde
wijexcelleerden
jullieexcelleerden
zijexcelleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëxcelleerd
jijhad geëxcelleerd
hijhad geëxcelleerd
wijhadden geëxcelleerd
julliehadden geëxcelleerd
zijhadden geëxcelleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal excelleren
jijzult excelleren
hijzal excelleren
wijzullen excelleren
julliezullen excelleren
zijzullen excelleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëxcelleerd hebben
jijzult geëxcelleerd hebben
hijzal geëxcelleerd hebben
wijzullen geëxcelleerd hebben
julliezullen geëxcelleerd hebben
zijzullen geëxcelleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou excelleren
jijzou excelleren
hijzou excelleren
wijzouden excelleren
julliezouden excelleren
zijzouden excelleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëxcelleerd hebben
jijzou geëxcelleerd hebben
hijzou geëxcelleerd hebben
wijzouden geëxcelleerd hebben
julliezouden geëxcelleerd hebben
zijzouden geëxcelleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijexcelleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French exceller with the suffix -eren. See: French 'exceller'.

Additional Information