excerperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of excerperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: excerperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: excerperend
Past participle - Verleden deelwoord: geëxcerpeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikexcerpeer
jijexcerpeert
hijexcerpeert
wijexcerperen
jullieexcerperen
zijexcerperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëxcerpeerd
jijhebt geëxcerpeerd
hijheeft geëxcerpeerd
wijhebben geëxcerpeerd
julliehebben geëxcerpeerd
zijhebben geëxcerpeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikexcerpeerde
jijexcerpeerde
hijexcerpeerde
wijexcerpeerden
jullieexcerpeerden
zijexcerpeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëxcerpeerd
jijhad geëxcerpeerd
hijhad geëxcerpeerd
wijhadden geëxcerpeerd
julliehadden geëxcerpeerd
zijhadden geëxcerpeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal excerperen
jijzult excerperen
hijzal excerperen
wijzullen excerperen
julliezullen excerperen
zijzullen excerperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëxcerpeerd hebben
jijzult geëxcerpeerd hebben
hijzal geëxcerpeerd hebben
wijzullen geëxcerpeerd hebben
julliezullen geëxcerpeerd hebben
zijzullen geëxcerpeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou excerperen
jijzou excerperen
hijzou excerperen
wijzouden excerperen
julliezouden excerperen
zijzouden excerperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëxcerpeerd hebben
jijzou geëxcerpeerd hebben
hijzou geëxcerpeerd hebben
wijzouden geëxcerpeerd hebben
julliezouden geëxcerpeerd hebben
zijzouden geëxcerpeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijexcerpeer

Translations

  • epitomize, make an epitome
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information