emballeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of emballeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: emballeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: emballerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëmballeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikemballeer
jijemballeert
hijemballeert
wijemballeren
jullieemballeren
zijemballeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëmballeerd
jijhebt geëmballeerd
hijheeft geëmballeerd
wijhebben geëmballeerd
julliehebben geëmballeerd
zijhebben geëmballeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikemballeerde
jijemballeerde
hijemballeerde
wijemballeerden
jullieemballeerden
zijemballeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëmballeerd
jijhad geëmballeerd
hijhad geëmballeerd
wijhadden geëmballeerd
julliehadden geëmballeerd
zijhadden geëmballeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal emballeren
jijzult emballeren
hijzal emballeren
wijzullen emballeren
julliezullen emballeren
zijzullen emballeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëmballeerd hebben
jijzult geëmballeerd hebben
hijzal geëmballeerd hebben
wijzullen geëmballeerd hebben
julliezullen geëmballeerd hebben
zijzullen geëmballeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou emballeren
jijzou emballeren
hijzou emballeren
wijzouden emballeren
julliezouden emballeren
zijzouden emballeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëmballeerd hebben
jijzou geëmballeerd hebben
hijzou geëmballeerd hebben
wijzouden geëmballeerd hebben
julliezouden geëmballeerd hebben
zijzouden geëmballeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijemballeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information