excuseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of excuseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: excuseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: excuserend
Past participle - Verleden deelwoord: geëxcuseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikexcuseer
jijexcuseert
hijexcuseert
wijexcuseren
jullieexcuseren
zijexcuseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëxcuseerd
jijhebt geëxcuseerd
hijheeft geëxcuseerd
wijhebben geëxcuseerd
julliehebben geëxcuseerd
zijhebben geëxcuseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikexcuseerde
jijexcuseerde
hijexcuseerde
wijexcuseerden
jullieexcuseerden
zijexcuseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëxcuseerd
jijhad geëxcuseerd
hijhad geëxcuseerd
wijhadden geëxcuseerd
julliehadden geëxcuseerd
zijhadden geëxcuseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal excuseren
jijzult excuseren
hijzal excuseren
wijzullen excuseren
julliezullen excuseren
zijzullen excuseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëxcuseerd hebben
jijzult geëxcuseerd hebben
hijzal geëxcuseerd hebben
wijzullen geëxcuseerd hebben
julliezullen geëxcuseerd hebben
zijzullen geëxcuseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou excuseren
jijzou excuseren
hijzou excuseren
wijzouden excuseren
julliezouden excuseren
zijzouden excuseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëxcuseerd hebben
jijzou geëxcuseerd hebben
hijzou geëxcuseerd hebben
wijzouden geëxcuseerd hebben
julliezouden geëxcuseerd hebben
zijzouden geëxcuseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijexcuseer

Translations

  • excuse, forgive, pardon
  • excuse, allow to leave
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    verontschuldigen
    verschonen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch excuseren, from Middle French excuser. See: Middle French 'excuser'.

    Additional Information