equiperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of equiperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: equiperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: equiperend
Past participle - Verleden deelwoord: geëquipeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikequipeer
jijequipeert
hijequipeert
wijequiperen
jullieequiperen
zijequiperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëquipeerd
jijhebt geëquipeerd
hijheeft geëquipeerd
wijhebben geëquipeerd
julliehebben geëquipeerd
zijhebben geëquipeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikequipeerde
jijequipeerde
hijequipeerde
wijequipeerden
jullieequipeerden
zijequipeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëquipeerd
jijhad geëquipeerd
hijhad geëquipeerd
wijhadden geëquipeerd
julliehadden geëquipeerd
zijhadden geëquipeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal equiperen
jijzult equiperen
hijzal equiperen
wijzullen equiperen
julliezullen equiperen
zijzullen equiperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëquipeerd hebben
jijzult geëquipeerd hebben
hijzal geëquipeerd hebben
wijzullen geëquipeerd hebben
julliezullen geëquipeerd hebben
zijzullen geëquipeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou equiperen
jijzou equiperen
hijzou equiperen
wijzouden equiperen
julliezouden equiperen
zijzouden equiperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëquipeerd hebben
jijzou geëquipeerd hebben
hijzou geëquipeerd hebben
wijzouden geëquipeerd hebben
julliezouden geëquipeerd hebben
zijzouden geëquipeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijequipeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French équiper, from Middle French esquiper, from Old French eschiper. See: French 'équiper'.

Additional Information