duperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of duperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: duperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: duperend
Past participle - Verleden deelwoord: gedupeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdupeer
jijdupeert
hijdupeert
wijduperen
jullieduperen
zijduperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedupeerd
jijhebt gedupeerd
hijheeft gedupeerd
wijhebben gedupeerd
julliehebben gedupeerd
zijhebben gedupeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdupeerde
jijdupeerde
hijdupeerde
wijdupeerden
julliedupeerden
zijdupeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedupeerd
jijhad gedupeerd
hijhad gedupeerd
wijhadden gedupeerd
julliehadden gedupeerd
zijhadden gedupeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal duperen
jijzult duperen
hijzal duperen
wijzullen duperen
julliezullen duperen
zijzullen duperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedupeerd hebben
jijzult gedupeerd hebben
hijzal gedupeerd hebben
wijzullen gedupeerd hebben
julliezullen gedupeerd hebben
zijzullen gedupeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou duperen
jijzou duperen
hijzou duperen
wijzouden duperen
julliezouden duperen
zijzouden duperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedupeerd hebben
jijzou gedupeerd hebben
hijzou gedupeerd hebben
wijzouden gedupeerd hebben
julliezouden gedupeerd hebben
zijzouden gedupeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdupeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hij dupeert zo al zijn buren. (He unfairly burdens all his neighbors this way.)
  • De gedupeerden eisten hun geld terug van de fraudeur. (The victims demanded their money back from the fraudster.)

Etymology

From French duper. By surface analysis, dupe + -eren. See: French 'duper'.

Additional Information