exhiberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of exhiberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: exhiberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: exhiberend
Past participle - Verleden deelwoord: geëxhibeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikexhibeer
jijexhibeert
hijexhibeert
wijexhiberen
jullieexhiberen
zijexhiberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëxhibeerd
jijhebt geëxhibeerd
hijheeft geëxhibeerd
wijhebben geëxhibeerd
julliehebben geëxhibeerd
zijhebben geëxhibeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikexhibeerde
jijexhibeerde
hijexhibeerde
wijexhibeerden
jullieexhibeerden
zijexhibeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëxhibeerd
jijhad geëxhibeerd
hijhad geëxhibeerd
wijhadden geëxhibeerd
julliehadden geëxhibeerd
zijhadden geëxhibeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal exhiberen
jijzult exhiberen
hijzal exhiberen
wijzullen exhiberen
julliezullen exhiberen
zijzullen exhiberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëxhibeerd hebben
jijzult geëxhibeerd hebben
hijzal geëxhibeerd hebben
wijzullen geëxhibeerd hebben
julliezullen geëxhibeerd hebben
zijzullen geëxhibeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou exhiberen
jijzou exhiberen
hijzou exhiberen
wijzouden exhiberen
julliezouden exhiberen
zijzouden exhiberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëxhibeerd hebben
jijzou geëxhibeerd hebben
hijzou geëxhibeerd hebben
wijzouden geëxhibeerd hebben
julliezouden geëxhibeerd hebben
zijzouden geëxhibeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijexhibeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information