dubben – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dubben

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dubben
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dubbend
Past participle - Verleden deelwoord: gedubd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdub
jijdubt
hijdubt
wijdubben
julliedubben
zijdubben

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedubd
jijhebt gedubd
hijheeft gedubd
wijhebben gedubd
julliehebben gedubd
zijhebben gedubd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdubde
jijdubde
hijdubde
wijdubden
julliedubden
zijdubden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedubd
jijhad gedubd
hijhad gedubd
wijhadden gedubd
julliehadden gedubd
zijhadden gedubd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dubben
jijzult dubben
hijzal dubben
wijzullen dubben
julliezullen dubben
zijzullen dubben

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedubd hebben
jijzult gedubd hebben
hijzal gedubd hebben
wijzullen gedubd hebben
julliezullen gedubd hebben
zijzullen gedubd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dubben
jijzou dubben
hijzou dubben
wijzouden dubben
julliezouden dubben
zijzouden dubben

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedubd hebben
jijzou gedubd hebben
hijzou gedubd hebben
wijzouden gedubd hebben
julliezouden gedubd hebben
zijzouden gedubd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdub

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

peinzen
piekeren, wikken
aarzelen
twijfelen

Sample Sentences

Etymology

Probably from Latin dubitō or dubius, either directly or through a descendant. See: Latin 'dubitō'.

Additional Information