dubbelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dubbelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dubbelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dubbelend
Past participle - Verleden deelwoord: gedubbeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdubbel
jijdubbelt
hijdubbelt
wijdubbelen
julliedubbelen
zijdubbelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedubbeld
jijhebt gedubbeld
hijheeft gedubbeld
wijhebben gedubbeld
julliehebben gedubbeld
zijhebben gedubbeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdubbelde
jijdubbelde
hijdubbelde
wijdubbelden
julliedubbelden
zijdubbelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedubbeld
jijhad gedubbeld
hijhad gedubbeld
wijhadden gedubbeld
julliehadden gedubbeld
zijhadden gedubbeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dubbelen
jijzult dubbelen
hijzal dubbelen
wijzullen dubbelen
julliezullen dubbelen
zijzullen dubbelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedubbeld hebben
jijzult gedubbeld hebben
hijzal gedubbeld hebben
wijzullen gedubbeld hebben
julliezullen gedubbeld hebben
zijzullen gedubbeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dubbelen
jijzou dubbelen
hijzou dubbelen
wijzouden dubbelen
julliezouden dubbelen
zijzouden dubbelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedubbeld hebben
jijzou gedubbeld hebben
hijzou gedubbeld hebben
wijzouden gedubbeld hebben
julliezouden gedubbeld hebben
zijzouden gedubbeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdubbel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information