Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: delen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: delend
Past participle - Verleden deelwoord: gedeeld
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | deel |
| jij | deelt |
| hij | deelt |
| wij | delen |
| jullie | delen |
| zij | delen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gedeeld |
| jij | hebt gedeeld |
| hij | heeft gedeeld |
| wij | hebben gedeeld |
| jullie | hebben gedeeld |
| zij | hebben gedeeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | deelde |
| jij | deelde |
| hij | deelde |
| wij | deelden |
| jullie | deelden |
| zij | deelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gedeeld |
| jij | had gedeeld |
| hij | had gedeeld |
| wij | hadden gedeeld |
| jullie | hadden gedeeld |
| zij | hadden gedeeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal delen |
| jij | zult delen |
| hij | zal delen |
| wij | zullen delen |
| jullie | zullen delen |
| zij | zullen delen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gedeeld hebben |
| jij | zult gedeeld hebben |
| hij | zal gedeeld hebben |
| wij | zullen gedeeld hebben |
| jullie | zullen gedeeld hebben |
| zij | zullen gedeeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou delen |
| jij | zou delen |
| hij | zou delen |
| wij | zouden delen |
| jullie | zouden delen |
| zij | zouden delen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gedeeld hebben |
| jij | zou gedeeld hebben |
| hij | zou gedeeld hebben |
| wij | zouden gedeeld hebben |
| jullie | zouden gedeeld hebben |
| zij | zouden gedeeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'delen'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'delen'
adelen,
dalen,
delgen,
delven,
deren,
doelen,
dolen,
helen,
kelen,
melen,
Translations
deal, to distribute (cards)
divide, divide up; share by dividing
divide, calculate quotient
impart, to give a part or share
share, to give
share, to divide and distribute
Sample Sentences
-
[...] en twintig graanhalmen waren, en nu achtte ik het, na het regenachtig jaargetij, de geschikte tijd dit te zaaijen. Ik spitte dus eene plek grond om, zoo goed ik kon, met mijne houten spade, en deelde die in twee deelen af om mijn graan te zaaijen; maar terwijl ik dit deed bedacht ik toevallig, dat ik beter zou doen het niet alles te gelijk te zaaijen, omdat ik niet wist of het de geschikte tijd [...]
(Robinson Crusoe)
-
In deze eerste vlaag van woede deelde ik de wapens, die ik geladen had zoo als ik verhaald heb, tusschen ons; ik gaf Vrijdag eene pistool om in zijn gordel te steken en drie geweren op zijne schouders; ik nam zelf eene pistool en ook [...]
(Robinson Crusoe)
-
Toen de kapitein bij mij kwam, deelde ik hem mijn ontwerp om het schip te overmeesteren mede, waarmede hij van harten instemde, en wij besloten het den volgenden morgen ten uitvoer te brengen. Ten einde het echter te geruster en goed [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch dêlen, from Old Dutch dēlen, from Proto-Germanic *dailijaną. Cognate with English deal. See: Proto-Germanic '
*dailijaną', English '
deal'.
Verbs referencing "delen"
English
deal, Luxembourgish
deelen.
Additional Information