blozen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blozen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blozen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blozend
Past participle - Verleden deelwoord: gebloosd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbloos
jijbloost
hijbloost
wijblozen
jullieblozen
zijblozen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebloosd
jijhebt gebloosd
hijheeft gebloosd
wijhebben gebloosd
julliehebben gebloosd
zijhebben gebloosd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbloosde
jijbloosde
hijbloosde
wijbloosden
julliebloosden
zijbloosden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebloosd
jijhad gebloosd
hijhad gebloosd
wijhadden gebloosd
julliehadden gebloosd
zijhadden gebloosd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blozen
jijzult blozen
hijzal blozen
wijzullen blozen
julliezullen blozen
zijzullen blozen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebloosd hebben
jijzult gebloosd hebben
hijzal gebloosd hebben
wijzullen gebloosd hebben
julliezullen gebloosd hebben
zijzullen gebloosd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blozen
jijzou blozen
hijzou blozen
wijzouden blozen
julliezouden blozen
zijzouden blozen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebloosd hebben
jijzou gebloosd hebben
hijzou gebloosd hebben
wijzouden gebloosd hebben
julliezouden gebloosd hebben
zijzouden gebloosd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbloos

Verbs conjugated like 'blozen'

blozen, grazen, liefkozen, verbazen, vrezen,

Verbs similar to 'blozen'

blazen, belonen, beloven, bloeden, bloeien, bomen, kloken, kloven, lezen, loden,

Translations

  • blush, to redden in the face from shame, excitement or embarrassment
  • flush, to become suffused with reddish color
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] opgemerkt, hoe eenzijdig en onverstandig de mensch, bijzonder de jeugd, is, namelijk, dat zij meer schaamte over het berouw dan over hare misstappen gevoelt, en dat zij niet over hare dwaasheden bloost, maar wel zoo zij die varen laat. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    1. From Middle Dutch blosen, further etymology unclear, but ultimately from Proto-Germanic *blus-, perhaps related to *blasį̄ (“blaze”).
    2. Cognates include Middle Low German blosen, West Frisian bloazje, Old Swedish blusa, and with umlaut also Middle Low German blöschen, Old English blȳsian.

    Verbs referencing "blozen"

    English blush, Swedish blossa.

    Additional Information