drentelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of drentelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: drentelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: drentelend
Past participle - Verleden deelwoord: gedrenteld

Cognates

See the 2 cognates of drentelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdrentel
jijdrentelt
hijdrentelt
wijdrentelen
julliedrentelen
zijdrentelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedrenteld
jijhebt gedrenteld
hijheeft gedrenteld
wijhebben gedrenteld
julliehebben gedrenteld
zijhebben gedrenteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdrentelde
jijdrentelde
hijdrentelde
wijdrentelden
julliedrentelden
zijdrentelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedrenteld
jijhad gedrenteld
hijhad gedrenteld
wijhadden gedrenteld
julliehadden gedrenteld
zijhadden gedrenteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal drentelen
jijzult drentelen
hijzal drentelen
wijzullen drentelen
julliezullen drentelen
zijzullen drentelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedrenteld hebben
jijzult gedrenteld hebben
hijzal gedrenteld hebben
wijzullen gedrenteld hebben
julliezullen gedrenteld hebben
zijzullen gedrenteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou drentelen
jijzou drentelen
hijzou drentelen
wijzouden drentelen
julliezouden drentelen
zijzouden drentelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedrenteld hebben
jijzou gedrenteld hebben
hijzou gedrenteld hebben
wijzouden gedrenteld hebben
julliezouden gedrenteld hebben
zijzouden gedrenteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdrentel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

flaneren
kuieren, slenteren, wandelen

Sample Sentences

Etymology

From older trentelen.

Verbs referencing "drentelen"

English trant.

Additional Information