hengelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hengelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hengelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hengelend
Past participle - Verleden deelwoord: gehengeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhengel
jijhengelt
hijhengelt
wijhengelen
julliehengelen
zijhengelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehengeld
jijhebt gehengeld
hijheeft gehengeld
wijhebben gehengeld
julliehebben gehengeld
zijhebben gehengeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhengelde
jijhengelde
hijhengelde
wijhengelden
julliehengelden
zijhengelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehengeld
jijhad gehengeld
hijhad gehengeld
wijhadden gehengeld
julliehadden gehengeld
zijhadden gehengeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hengelen
jijzult hengelen
hijzal hengelen
wijzullen hengelen
julliezullen hengelen
zijzullen hengelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehengeld hebben
jijzult gehengeld hebben
hijzal gehengeld hebben
wijzullen gehengeld hebben
julliezullen gehengeld hebben
zijzullen gehengeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hengelen
jijzou hengelen
hijzou hengelen
wijzouden hengelen
julliezouden hengelen
zijzouden hengelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehengeld hebben
jijzou gehengeld hebben
hijzou gehengeld hebben
wijzouden gehengeld hebben
julliezouden gehengeld hebben
zijzouden gehengeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhengel

Translations

  • angle, to fish with hook and line
  • fish, intransitive: to try to catch fish
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch hengelen, equivalent to hengel (“fishing rod”) + -en. The fishing sense is influenced by Dutch angel (“fishhook”), Middle Dutch angelen (“to pierce with a hook”). Compare also hengelroede (“fishing rod”) with dialectal or obsolete Dutch angelroede (“fishing rod”), German Angelrute (“fishing rod”).

    Verbs referencing "hengelen"

    German, old spelling angeln.

    Additional Information