Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: weifelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: weifelend
Past participle - Verleden deelwoord: geweifeld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | weifel |
| jij | weifelt |
| hij | weifelt |
| wij | weifelen |
| jullie | weifelen |
| zij | weifelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geweifeld |
| jij | hebt geweifeld |
| hij | heeft geweifeld |
| wij | hebben geweifeld |
| jullie | hebben geweifeld |
| zij | hebben geweifeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | weifelde |
| jij | weifelde |
| hij | weifelde |
| wij | weifelden |
| jullie | weifelden |
| zij | weifelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geweifeld |
| jij | had geweifeld |
| hij | had geweifeld |
| wij | hadden geweifeld |
| jullie | hadden geweifeld |
| zij | hadden geweifeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal weifelen |
| jij | zult weifelen |
| hij | zal weifelen |
| wij | zullen weifelen |
| jullie | zullen weifelen |
| zij | zullen weifelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geweifeld hebben |
| jij | zult geweifeld hebben |
| hij | zal geweifeld hebben |
| wij | zullen geweifeld hebben |
| jullie | zullen geweifeld hebben |
| zij | zullen geweifeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou weifelen |
| jij | zou weifelen |
| hij | zou weifelen |
| wij | zouden weifelen |
| jullie | zouden weifelen |
| zij | zouden weifelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geweifeld hebben |
| jij | zou geweifeld hebben |
| hij | zou geweifeld hebben |
| wij | zouden geweifeld hebben |
| jullie | zouden geweifeld hebben |
| zij | zouden geweifeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'weifelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'weifelen'
beitelen,
weigeren,
wemelen,
wentelen,
wervelen,
bedelen,
bedoelen,
beieren,
bekoelen,
bengelen,
Translations
linger, to consider or contemplate
vacillate, to swing from one course of action or opinion to another
waver, to be indecisive between choices; to feel or show doubt or indecision; to vacillate
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
Ik bleef eenigen tijd weifelend welken weg ik zou inslaan. Ik gevoelde grooten weerzin in naar huis terug te keeren, en naar gelang het geheugen mijner tegenspoeden verflaauwde, vermeerderde deze, tot ik eindelijk alle denkbeeld [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] dat ik mijne onderneming begon op te geven, en na mijne boot in eene kleine kreek aan het strand gebragt te hebben, er uitstapte, en op eene kleine hoogte zitten ging, zeer bedrukt en bezorgd, weifelend tusschen vrees en verlangen om de reis te doen. Terwijl ik zoo zat, bemerkte ik, dat het getij kenterde en de vloed doorkwam, waardoor mijn vertrek, zoo lang deze aanhield, onuitvoerbaar werd. Nu [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch weiven (“to wave”) + -elen; compare wuiven.
Additional Information