weiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of weiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: weiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: weidend
Past participle - Verleden deelwoord: geweid

Cognates

See the 3 cognates of weiden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikweid
jijweidt
hijweidt
wijweiden
jullieweiden
zijweiden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geweid
jijhebt geweid
hijheeft geweid
wijhebben geweid
julliehebben geweid
zijhebben geweid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikweidde
jijweidde
hijweidde
wijweidden
jullieweidden
zijweidden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geweid
jijhad geweid
hijhad geweid
wijhadden geweid
julliehadden geweid
zijhadden geweid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal weiden
jijzult weiden
hijzal weiden
wijzullen weiden
julliezullen weiden
zijzullen weiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geweid hebben
jijzult geweid hebben
hijzal geweid hebben
wijzullen geweid hebben
julliezullen geweid hebben
zijzullen geweid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou weiden
jijzou weiden
hijzou weiden
wijzouden weiden
julliezouden weiden
zijzouden weiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geweid hebben
jijzou geweid hebben
hijzou geweid hebben
wijzouden geweid hebben
julliezouden geweid hebben
zijzouden geweid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijweid

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • [...] ik ze altijd aan stukken en het aas opgegeten. Eindelijk besloot ik het met vallen te beproeven; ik delfde dus verscheidene kuilen, op plaatsen waar ik opgemerkt had dat de geiten gewoonlijk kwamen weiden, en op deze kuilen plaatste ik horden, van mijn eigen maaksel ook, met eene groote zwaarte er op, en verscheidene malen plaatste ik hoopjes graan en drooge rijst er op, zonder den val te zetten, en [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] wilde voeden, wanneer mijn kruid en lood op zou zijn, het eenigste middel hiertoe was eenige tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde rondom mijne woning zou kunnen laten weiden. Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] en hunne zeden zoo groot, dat ik langen tijd neêrslagtig bleef, en schier twee jaren lang mij niet buiten mijn kring bewoog. Ik bedoel buiten mijn kasteel, mijn buitenplaats en mijne omheinde weiden; welke laatste ik alleen om mijne geiten bezocht; want ik had voor de wilden een afschuw als voor den duivel zelf. (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch weiden, from Old Dutch *weithon, from Proto-Germanic *waiþoną, *waiþijaną. Equivalent to weide + -en. See: Old Dutch '*weithon'.

Verbs referencing "weiden"

Old English wæþan.

Additional Information