voltigeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voltigeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voltigeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voltigerend
Past participle - Verleden deelwoord: voltigeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoltigeer
jijvoltigeert
hijvoltigeert
wijvoltigeren
jullievoltigeren
zijvoltigeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voltigeerd
jijhebt voltigeerd
hijheeft voltigeerd
wijhebben voltigeerd
julliehebben voltigeerd
zijhebben voltigeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoltigeerde
jijvoltigeerde
hijvoltigeerde
wijvoltigeerden
jullievoltigeerden
zijvoltigeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voltigeerd
jijhad voltigeerd
hijhad voltigeerd
wijhadden voltigeerd
julliehadden voltigeerd
zijhadden voltigeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voltigeren
jijzult voltigeren
hijzal voltigeren
wijzullen voltigeren
julliezullen voltigeren
zijzullen voltigeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voltigeerd hebben
jijzult voltigeerd hebben
hijzal voltigeerd hebben
wijzullen voltigeerd hebben
julliezullen voltigeerd hebben
zijzullen voltigeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voltigeren
jijzou voltigeren
hijzou voltigeren
wijzouden voltigeren
julliezouden voltigeren
zijzouden voltigeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voltigeerd hebben
jijzou voltigeerd hebben
hijzou voltigeerd hebben
wijzouden voltigeerd hebben
julliezouden voltigeerd hebben
zijzouden voltigeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoltigeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information