fatigeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fatigeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fatigeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fatigerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefatigeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfatigeer
jijfatigeert
hijfatigeert
wijfatigeren
julliefatigeren
zijfatigeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefatigeerd
jijhebt gefatigeerd
hijheeft gefatigeerd
wijhebben gefatigeerd
julliehebben gefatigeerd
zijhebben gefatigeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfatigeerde
jijfatigeerde
hijfatigeerde
wijfatigeerden
julliefatigeerden
zijfatigeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefatigeerd
jijhad gefatigeerd
hijhad gefatigeerd
wijhadden gefatigeerd
julliehadden gefatigeerd
zijhadden gefatigeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fatigeren
jijzult fatigeren
hijzal fatigeren
wijzullen fatigeren
julliezullen fatigeren
zijzullen fatigeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefatigeerd hebben
jijzult gefatigeerd hebben
hijzal gefatigeerd hebben
wijzullen gefatigeerd hebben
julliezullen gefatigeerd hebben
zijzullen gefatigeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fatigeren
jijzou fatigeren
hijzou fatigeren
wijzouden fatigeren
julliezouden fatigeren
zijzouden fatigeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefatigeerd hebben
jijzou gefatigeerd hebben
hijzou gefatigeerd hebben
wijzouden gefatigeerd hebben
julliezouden gefatigeerd hebben
zijzouden gefatigeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfatigeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information