vloeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vloeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vloeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vloerend
Past participle - Verleden deelwoord: gevloerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvloer
jijvloert
hijvloert
wijvloeren
jullievloeren
zijvloeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevloerd
jijhebt gevloerd
hijheeft gevloerd
wijhebben gevloerd
julliehebben gevloerd
zijhebben gevloerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvloerde
jijvloerde
hijvloerde
wijvloerden
jullievloerden
zijvloerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevloerd
jijhad gevloerd
hijhad gevloerd
wijhadden gevloerd
julliehadden gevloerd
zijhadden gevloerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vloeren
jijzult vloeren
hijzal vloeren
wijzullen vloeren
julliezullen vloeren
zijzullen vloeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevloerd hebben
jijzult gevloerd hebben
hijzal gevloerd hebben
wijzullen gevloerd hebben
julliezullen gevloerd hebben
zijzullen gevloerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vloeren
jijzou vloeren
hijzou vloeren
wijzouden vloeren
julliezouden vloeren
zijzouden vloeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevloerd hebben
jijzou gevloerd hebben
hijzou gevloerd hebben
wijzouden gevloerd hebben
julliezouden gevloerd hebben
zijzouden gevloerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvloer

Translations

  • floor, strike down
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information