vertellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vertellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vertellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vertellend
Past participle - Verleden deelwoord: verteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvertel
jijvertelt
hijvertelt
wijvertellen
jullievertellen
zijvertellen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verteld
jijhebt verteld
hijheeft verteld
wijhebben verteld
julliehebben verteld
zijhebben verteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvertelde
jijvertelde
hijvertelde
wijvertelden
jullievertelden
zijvertelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verteld
jijhad verteld
hijhad verteld
wijhadden verteld
julliehadden verteld
zijhadden verteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vertellen
jijzult vertellen
hijzal vertellen
wijzullen vertellen
julliezullen vertellen
zijzullen vertellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verteld hebben
jijzult verteld hebben
hijzal verteld hebben
wijzullen verteld hebben
julliezullen verteld hebben
zijzullen verteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vertellen
jijzou vertellen
hijzou vertellen
wijzouden vertellen
julliezouden vertellen
zijzouden vertellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verteld hebben
jijzou verteld hebben
hijzou verteld hebben
wijzouden verteld hebben
julliezouden verteld hebben
zijzouden verteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvertel

Translations

  • narrate, to relate a story
  • rehearse, narrate or tell
  • relate, to tell in a descriptive manner
  • tell, to pass information
  • tell, to discern, notice, identify or distinguish
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    meedelen
    verzekeren, zeggen

    Sample Sentences

    • [...] voor een, en dus meer graan dan vroeger aankweeken; ik stak dus een grooter stuk land af, en begon dit te omheinen even als het vorige. Vrijdag werkte hieraan zeer gewillig en vlijtig mede, en ik vertelde, dat dit was om graan te bekomen ten einde meer brood te maken, omdat hij nu bij mij was. Hij scheen hierdoor zeer getroffen en beduidde mij, dat ik thans door hem meer werk had dan vroeger voor mij [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] of dood had kunnen geven, zou hij als procuratiehouder gehandeld, en mijne plantaadje in bezit genomen hebben, of zijn zoon hiermede belast. " Maar, " zeide de oude man, " ik heb u ander nieuws te vertellen, dat u misschien minder aangenaam zal zijn dan het overige; dat is, dat daar iedereen u verongelukt waande, uw compagnon en gemagtigden mij in uwen naam de verrekening aanboden van de opbrengsten [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch vertellen. Equivalent to ver- + tellen.

    Verbs referencing "vertellen"

    English tell, Afrikaans vertel, Frisian, Northern ferteele, Swedish förtälja, Luxembourgish verzielen, Alemannic German verzelle.

    Additional Information