vergelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vergelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vergelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vergelend
Past participle - Verleden deelwoord: vergeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvergeel
jijvergeelt
hijvergeelt
wijvergelen
jullievergelen
zijvergelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb vergeeld
jijhebt vergeeld
hijheeft vergeeld
wijhebben vergeeld
julliehebben vergeeld
zijhebben vergeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvergeelde
jijvergeelde
hijvergeelde
wijvergeelden
jullievergeelden
zijvergeelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad vergeeld
jijhad vergeeld
hijhad vergeeld
wijhadden vergeeld
julliehadden vergeeld
zijhadden vergeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vergelen
jijzult vergelen
hijzal vergelen
wijzullen vergelen
julliezullen vergelen
zijzullen vergelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal vergeeld hebben
jijzult vergeeld hebben
hijzal vergeeld hebben
wijzullen vergeeld hebben
julliezullen vergeeld hebben
zijzullen vergeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vergelen
jijzou vergelen
hijzou vergelen
wijzouden vergelen
julliezouden vergelen
zijzouden vergelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou vergeeld hebben
jijzou vergeeld hebben
hijzou vergeeld hebben
wijzouden vergeeld hebben
julliezouden vergeeld hebben
zijzouden vergeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvergeel

Translations

  • yellow, to become yellow or more yellow
  • yellow, to cause to become yellow or more yellow
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From geel + ver- -en.

    Additional Information