verenkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verenkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verenkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verenkelend
Past participle - Verleden deelwoord: verenkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverenkel
jijverenkelt
hijverenkelt
wijverenkelen
jullieverenkelen
zijverenkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verenkeld
jijhebt verenkeld
hijheeft verenkeld
wijhebben verenkeld
julliehebben verenkeld
zijhebben verenkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverenkelde
jijverenkelde
hijverenkelde
wijverenkelden
jullieverenkelden
zijverenkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verenkeld
jijhad verenkeld
hijhad verenkeld
wijhadden verenkeld
julliehadden verenkeld
zijhadden verenkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verenkelen
jijzult verenkelen
hijzal verenkelen
wijzullen verenkelen
julliezullen verenkelen
zijzullen verenkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verenkeld hebben
jijzult verenkeld hebben
hijzal verenkeld hebben
wijzullen verenkeld hebben
julliezullen verenkeld hebben
zijzullen verenkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verenkelen
jijzou verenkelen
hijzou verenkelen
wijzouden verenkelen
julliezouden verenkelen
zijzouden verenkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verenkeld hebben
jijzou verenkeld hebben
hijzou verenkeld hebben
wijzouden verenkeld hebben
julliezouden verenkeld hebben
zijzouden verenkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverenkel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information