bekonkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bekonkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bekonkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bekonkelend
Past participle - Verleden deelwoord: bekonkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbekonkel
jijbekonkelt
hijbekonkelt
wijbekonkelen
julliebekonkelen
zijbekonkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bekonkeld
jijhebt bekonkeld
hijheeft bekonkeld
wijhebben bekonkeld
julliehebben bekonkeld
zijhebben bekonkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbekonkelde
jijbekonkelde
hijbekonkelde
wijbekonkelden
julliebekonkelden
zijbekonkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bekonkeld
jijhad bekonkeld
hijhad bekonkeld
wijhadden bekonkeld
julliehadden bekonkeld
zijhadden bekonkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bekonkelen
jijzult bekonkelen
hijzal bekonkelen
wijzullen bekonkelen
julliezullen bekonkelen
zijzullen bekonkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bekonkeld hebben
jijzult bekonkeld hebben
hijzal bekonkeld hebben
wijzullen bekonkeld hebben
julliezullen bekonkeld hebben
zijzullen bekonkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bekonkelen
jijzou bekonkelen
hijzou bekonkelen
wijzouden bekonkelen
julliezouden bekonkelen
zijzouden bekonkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bekonkeld hebben
jijzou bekonkeld hebben
hijzou bekonkeld hebben
wijzouden bekonkeld hebben
julliezouden bekonkeld hebben
zijzouden bekonkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbekonkel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information