verbouwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verbouwen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verbouwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verbouwend
Past participle - Verleden deelwoord: verbouwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverbouw
jijverbouwt
hijverbouwt
wijverbouwen
jullieverbouwen
zijverbouwen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verbouwd
jijhebt verbouwd
hijheeft verbouwd
wijhebben verbouwd
julliehebben verbouwd
zijhebben verbouwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverbouwde
jijverbouwde
hijverbouwde
wijverbouwden
jullieverbouwden
zijverbouwden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verbouwd
jijhad verbouwd
hijhad verbouwd
wijhadden verbouwd
julliehadden verbouwd
zijhadden verbouwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verbouwen
jijzult verbouwen
hijzal verbouwen
wijzullen verbouwen
julliezullen verbouwen
zijzullen verbouwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verbouwd hebben
jijzult verbouwd hebben
hijzal verbouwd hebben
wijzullen verbouwd hebben
julliezullen verbouwd hebben
zijzullen verbouwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verbouwen
jijzou verbouwen
hijzou verbouwen
wijzouden verbouwen
julliezouden verbouwen
zijzouden verbouwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verbouwd hebben
jijzou verbouwd hebben
hijzou verbouwd hebben
wijzouden verbouwd hebben
julliezouden verbouwd hebben
zijzouden verbouwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverbouw

Translations

  • cultivate, grow plants, notably crops
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    kweken
    telen
    opknappen
    renoveren

    Sample Sentences

    Etymology

    From ver- + bouwen.

    Additional Information