uniformeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uniformeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uniformeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uniformerend
Past participle - Verleden deelwoord: geüniformeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikuniformeer
jijuniformeert
hijuniformeert
wijuniformeren
jullieuniformeren
zijuniformeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geüniformeerd
jijhebt geüniformeerd
hijheeft geüniformeerd
wijhebben geüniformeerd
julliehebben geüniformeerd
zijhebben geüniformeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikuniformeerde
jijuniformeerde
hijuniformeerde
wijuniformeerden
jullieuniformeerden
zijuniformeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geüniformeerd
jijhad geüniformeerd
hijhad geüniformeerd
wijhadden geüniformeerd
julliehadden geüniformeerd
zijhadden geüniformeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uniformeren
jijzult uniformeren
hijzal uniformeren
wijzullen uniformeren
julliezullen uniformeren
zijzullen uniformeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geüniformeerd hebben
jijzult geüniformeerd hebben
hijzal geüniformeerd hebben
wijzullen geüniformeerd hebben
julliezullen geüniformeerd hebben
zijzullen geüniformeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uniformeren
jijzou uniformeren
hijzou uniformeren
wijzouden uniformeren
julliezouden uniformeren
zijzouden uniformeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geüniformeerd hebben
jijzou geüniformeerd hebben
hijzou geüniformeerd hebben
wijzouden geüniformeerd hebben
julliezouden geüniformeerd hebben
zijzouden geüniformeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijuniformeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information