unificeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of unificeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: unificeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: unificerend
Past participle - Verleden deelwoord: geünificeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikunificeer
jijunificeert
hijunificeert
wijunificeren
jullieunificeren
zijunificeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geünificeerd
jijhebt geünificeerd
hijheeft geünificeerd
wijhebben geünificeerd
julliehebben geünificeerd
zijhebben geünificeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikunificeerde
jijunificeerde
hijunificeerde
wijunificeerden
jullieunificeerden
zijunificeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geünificeerd
jijhad geünificeerd
hijhad geünificeerd
wijhadden geünificeerd
julliehadden geünificeerd
zijhadden geünificeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal unificeren
jijzult unificeren
hijzal unificeren
wijzullen unificeren
julliezullen unificeren
zijzullen unificeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geünificeerd hebben
jijzult geünificeerd hebben
hijzal geünificeerd hebben
wijzullen geünificeerd hebben
julliezullen geünificeerd hebben
zijzullen geünificeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou unificeren
jijzou unificeren
hijzou unificeren
wijzouden unificeren
julliezouden unificeren
zijzouden unificeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geünificeerd hebben
jijzou geünificeerd hebben
hijzou geünificeerd hebben
wijzouden geünificeerd hebben
julliezouden geünificeerd hebben
zijzouden geünificeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijunificeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information