toevoeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of toevoeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: toevoeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: toevoerend
Past participle - Verleden deelwoord: toegevoerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoer toe
jijvoert toe
hijvoert toe
wijvoeren toe
jullievoeren toe
zijvoeren toe

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb toegevoerd
jijhebt toegevoerd
hijheeft toegevoerd
wijhebben toegevoerd
julliehebben toegevoerd
zijhebben toegevoerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoerde toe
jijvoerde toe
hijvoerde toe
wijvoerden toe
jullievoerden toe
zijvoerden toe

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad toegevoerd
jijhad toegevoerd
hijhad toegevoerd
wijhadden toegevoerd
julliehadden toegevoerd
zijhadden toegevoerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal toevoeren
jijzult toevoeren
hijzal toevoeren
wijzullen toevoeren
julliezullen toevoeren
zijzullen toevoeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal toegevoerd hebben
jijzult toegevoerd hebben
hijzal toegevoerd hebben
wijzullen toegevoerd hebben
julliezullen toegevoerd hebben
zijzullen toegevoerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou toevoeren
jijzou toevoeren
hijzou toevoeren
wijzouden toevoeren
julliezouden toevoeren
zijzouden toevoeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou toegevoerd hebben
jijzou toegevoerd hebben
hijzou toegevoerd hebben
wijzouden toegevoerd hebben
julliezouden toegevoerd hebben
zijzouden toegevoerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoer toe

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Univerbation of toe + voeren.

Additional Information