opvoeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opvoeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opvoeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opvoerend
Past participle - Verleden deelwoord: opgevoerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoer op
jijvoert op
hijvoert op
wijvoeren op
jullievoeren op
zijvoeren op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgevoerd
jijhebt opgevoerd
hijheeft opgevoerd
wijhebben opgevoerd
julliehebben opgevoerd
zijhebben opgevoerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoerde op
jijvoerde op
hijvoerde op
wijvoerden op
jullievoerden op
zijvoerden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgevoerd
jijhad opgevoerd
hijhad opgevoerd
wijhadden opgevoerd
julliehadden opgevoerd
zijhadden opgevoerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opvoeren
jijzult opvoeren
hijzal opvoeren
wijzullen opvoeren
julliezullen opvoeren
zijzullen opvoeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgevoerd hebben
jijzult opgevoerd hebben
hijzal opgevoerd hebben
wijzullen opgevoerd hebben
julliezullen opgevoerd hebben
zijzullen opgevoerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opvoeren
jijzou opvoeren
hijzou opvoeren
wijzouden opvoeren
julliezouden opvoeren
zijzouden opvoeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgevoerd hebben
jijzou opgevoerd hebben
hijzou opgevoerd hebben
wijzouden opgevoerd hebben
julliezouden opgevoerd hebben
zijzouden opgevoerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoer op

Translations

  • act, to perform a theatrical role
  • enlarge, make larger
  • increase, make larger
  • perform, to do something in front of an audience
  • stage, to produce on a stage
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch opvoeren. Equivalent to op + voeren.

    Additional Information