meevoeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of meevoeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: meevoeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: meevoerend
Past participle - Verleden deelwoord: meegevoerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoer mee
jijvoert mee
hijvoert mee
wijvoeren mee
jullievoeren mee
zijvoeren mee

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb meegevoerd
jijhebt meegevoerd
hijheeft meegevoerd
wijhebben meegevoerd
julliehebben meegevoerd
zijhebben meegevoerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoerde mee
jijvoerde mee
hijvoerde mee
wijvoerden mee
jullievoerden mee
zijvoerden mee

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad meegevoerd
jijhad meegevoerd
hijhad meegevoerd
wijhadden meegevoerd
julliehadden meegevoerd
zijhadden meegevoerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal meevoeren
jijzult meevoeren
hijzal meevoeren
wijzullen meevoeren
julliezullen meevoeren
zijzullen meevoeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal meegevoerd hebben
jijzult meegevoerd hebben
hijzal meegevoerd hebben
wijzullen meegevoerd hebben
julliezullen meegevoerd hebben
zijzullen meegevoerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou meevoeren
jijzou meevoeren
hijzou meevoeren
wijzouden meevoeren
julliezouden meevoeren
zijzouden meevoeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou meegevoerd hebben
jijzou meegevoerd hebben
hijzou meegevoerd hebben
wijzouden meegevoerd hebben
julliezouden meegevoerd hebben
zijzouden meegevoerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoer mee

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information