tillen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tillen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tillen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tillend
Past participle - Verleden deelwoord: getild

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktil
jijtilt
hijtilt
wijtillen
jullietillen
zijtillen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getild
jijhebt getild
hijheeft getild
wijhebben getild
julliehebben getild
zijhebben getild

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktilde
jijtilde
hijtilde
wijtilden
jullietilden
zijtilden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getild
jijhad getild
hijhad getild
wijhadden getild
julliehadden getild
zijhadden getild

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tillen
jijzult tillen
hijzal tillen
wijzullen tillen
julliezullen tillen
zijzullen tillen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getild hebben
jijzult getild hebben
hijzal getild hebben
wijzullen getild hebben
julliezullen getild hebben
zijzullen getild hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tillen
jijzou tillen
hijzou tillen
wijzouden tillen
julliezouden tillen
zijzouden tillen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getild hebben
jijzou getild hebben
hijzou getild hebben
wijzouden getild hebben
julliezouden getild hebben
zijzouden getild hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtil

Translations

  • deadlift, to lift
  • heave, to lift
  • heft, to lift
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opbeuren
    optillen, sjouwen
    afzetten
    beduvelen, neppen, oplichten

    Antonyms

    afzetten
    aanzetten, aandoen, aandraaien, inschakelen, starten

    Sample Sentences

    • Toen de zon deze twee echter zeer goed droog en hard had gemaakt, tilde ik ze voorzigtig op, en plaatste ze in twee groote manden, die ik daarvoor gevlochten had, ten einde zij niet zouden breken, en daar zij niet juist er inpasten, vulde ik de tusschenruimten aan met [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch tillen, of uncertain origin, possibly a borrowing from Old Frisian, and ultimately related to Proto-West Germanic *þolēn (“to endure, bear”).

    Additional Information