gillen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gillen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gillen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gillend
Past participle - Verleden deelwoord: gegild

Cognates

See the 2 cognates of gillen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgil
jijgilt
hijgilt
wijgillen
julliegillen
zijgillen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegild
jijhebt gegild
hijheeft gegild
wijhebben gegild
julliehebben gegild
zijhebben gegild

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgilde
jijgilde
hijgilde
wijgilden
julliegilden
zijgilden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegild
jijhad gegild
hijhad gegild
wijhadden gegild
julliehadden gegild
zijhadden gegild

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gillen
jijzult gillen
hijzal gillen
wijzullen gillen
julliezullen gillen
zijzullen gillen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegild hebben
jijzult gegild hebben
hijzal gegild hebben
wijzullen gegild hebben
julliezullen gegild hebben
zijzullen gegild hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gillen
jijzou gillen
hijzou gillen
wijzouden gillen
julliezouden gillen
zijzouden gillen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegild hebben
jijzou gegild hebben
hijzou gegild hebben
wijzouden gegild hebben
julliezouden gegild hebben
zijzouden gegild hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgil

Translations

  • cry, intransitive: to shout, scream, yell
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    brullen
    krijsen, schreeuwen

    Sample Sentences

    • [...] en daar onze geweren nu met groven ganzenhagel of kleine pistoolkogels geladen waren, zagen wij slechts twee vallen, maar eene groote menigte waren gewond, die als razenden heen en weder liepen, gillende en schreeuwende, terwijl spoedig daarna er nog drie of vier, die zwaar gekwetst waren, nederstortten. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch gellen, from Old Dutch *gellan, from Proto-Germanic *gellaną. See: Proto-Germanic '*gellaną'.

    Verbs referencing "gillen"

    English yell, German, old spelling gellen, Icelandic gjalla.

    Additional Information