tabelleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tabelleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tabelleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tabellerend
Past participle - Verleden deelwoord: getabelleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktabelleer
jijtabelleert
hijtabelleert
wijtabelleren
jullietabelleren
zijtabelleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getabelleerd
jijhebt getabelleerd
hijheeft getabelleerd
wijhebben getabelleerd
julliehebben getabelleerd
zijhebben getabelleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktabelleerde
jijtabelleerde
hijtabelleerde
wijtabelleerden
jullietabelleerden
zijtabelleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getabelleerd
jijhad getabelleerd
hijhad getabelleerd
wijhadden getabelleerd
julliehadden getabelleerd
zijhadden getabelleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tabelleren
jijzult tabelleren
hijzal tabelleren
wijzullen tabelleren
julliezullen tabelleren
zijzullen tabelleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getabelleerd hebben
jijzult getabelleerd hebben
hijzal getabelleerd hebben
wijzullen getabelleerd hebben
julliezullen getabelleerd hebben
zijzullen getabelleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tabelleren
jijzou tabelleren
hijzou tabelleren
wijzouden tabelleren
julliezouden tabelleren
zijzouden tabelleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getabelleerd hebben
jijzou getabelleerd hebben
hijzou getabelleerd hebben
wijzouden getabelleerd hebben
julliezouden getabelleerd hebben
zijzouden getabelleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtabelleer

Translations

  • table, to tabulate
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From tabel + -eren.

    Additional Information