rebelleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rebelleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rebelleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rebellerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerebelleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrebelleer
jijrebelleert
hijrebelleert
wijrebelleren
jullierebelleren
zijrebelleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerebelleerd
jijhebt gerebelleerd
hijheeft gerebelleerd
wijhebben gerebelleerd
julliehebben gerebelleerd
zijhebben gerebelleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrebelleerde
jijrebelleerde
hijrebelleerde
wijrebelleerden
jullierebelleerden
zijrebelleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerebelleerd
jijhad gerebelleerd
hijhad gerebelleerd
wijhadden gerebelleerd
julliehadden gerebelleerd
zijhadden gerebelleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rebelleren
jijzult rebelleren
hijzal rebelleren
wijzullen rebelleren
julliezullen rebelleren
zijzullen rebelleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerebelleerd hebben
jijzult gerebelleerd hebben
hijzal gerebelleerd hebben
wijzullen gerebelleerd hebben
julliezullen gerebelleerd hebben
zijzullen gerebelleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rebelleren
jijzou rebelleren
hijzou rebelleren
wijzouden rebelleren
julliezouden rebelleren
zijzouden rebelleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerebelleerd hebben
jijzou gerebelleerd hebben
hijzou gerebelleerd hebben
wijzouden gerebelleerd hebben
julliezouden gerebelleerd hebben
zijzouden gerebelleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrebelleer

Translations

  • rebel, to resist or become defiant towards
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information