superviseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of superviseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: superviseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: superviserend
Past participle - Verleden deelwoord: gesuperviseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksuperviseer
jijsuperviseert
hijsuperviseert
wijsuperviseren
julliesuperviseren
zijsuperviseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesuperviseerd
jijhebt gesuperviseerd
hijheeft gesuperviseerd
wijhebben gesuperviseerd
julliehebben gesuperviseerd
zijhebben gesuperviseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksuperviseerde
jijsuperviseerde
hijsuperviseerde
wijsuperviseerden
julliesuperviseerden
zijsuperviseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesuperviseerd
jijhad gesuperviseerd
hijhad gesuperviseerd
wijhadden gesuperviseerd
julliehadden gesuperviseerd
zijhadden gesuperviseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal superviseren
jijzult superviseren
hijzal superviseren
wijzullen superviseren
julliezullen superviseren
zijzullen superviseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesuperviseerd hebben
jijzult gesuperviseerd hebben
hijzal gesuperviseerd hebben
wijzullen gesuperviseerd hebben
julliezullen gesuperviseerd hebben
zijzullen gesuperviseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou superviseren
jijzou superviseren
hijzou superviseren
wijzouden superviseren
julliezouden superviseren
zijzouden superviseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesuperviseerd hebben
jijzou gesuperviseerd hebben
hijzou gesuperviseerd hebben
wijzouden gesuperviseerd hebben
julliezouden gesuperviseerd hebben
zijzouden gesuperviseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsuperviseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information