persisteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of persisteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: persisteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: persisterend
Past participle - Verleden deelwoord: gepersisteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpersisteer
jijpersisteert
hijpersisteert
wijpersisteren
julliepersisteren
zijpersisteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepersisteerd
jijhebt gepersisteerd
hijheeft gepersisteerd
wijhebben gepersisteerd
julliehebben gepersisteerd
zijhebben gepersisteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpersisteerde
jijpersisteerde
hijpersisteerde
wijpersisteerden
julliepersisteerden
zijpersisteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepersisteerd
jijhad gepersisteerd
hijhad gepersisteerd
wijhadden gepersisteerd
julliehadden gepersisteerd
zijhadden gepersisteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal persisteren
jijzult persisteren
hijzal persisteren
wijzullen persisteren
julliezullen persisteren
zijzullen persisteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepersisteerd hebben
jijzult gepersisteerd hebben
hijzal gepersisteerd hebben
wijzullen gepersisteerd hebben
julliezullen gepersisteerd hebben
zijzullen gepersisteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou persisteren
jijzou persisteren
hijzou persisteren
wijzouden persisteren
julliezouden persisteren
zijzouden persisteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepersisteerd hebben
jijzou gepersisteerd hebben
hijzou gepersisteerd hebben
wijzouden gepersisteerd hebben
julliezouden gepersisteerd hebben
zijzouden gepersisteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpersisteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French persister. See: French 'persister'.

Additional Information