Infinitive - Onbepaalde wijs: isomeriseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: isomeriserend
Past participle - Verleden deelwoord: geïsomeriseerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | isomeriseer |
| jij | isomeriseert |
| hij | isomeriseert |
| wij | isomeriseren |
| jullie | isomeriseren |
| zij | isomeriseren |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geïsomeriseerd |
| jij | hebt geïsomeriseerd |
| hij | heeft geïsomeriseerd |
| wij | hebben geïsomeriseerd |
| jullie | hebben geïsomeriseerd |
| zij | hebben geïsomeriseerd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | isomeriseerde |
| jij | isomeriseerde |
| hij | isomeriseerde |
| wij | isomeriseerden |
| jullie | isomeriseerden |
| zij | isomeriseerden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geïsomeriseerd |
| jij | had geïsomeriseerd |
| hij | had geïsomeriseerd |
| wij | hadden geïsomeriseerd |
| jullie | hadden geïsomeriseerd |
| zij | hadden geïsomeriseerd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal isomeriseren |
| jij | zult isomeriseren |
| hij | zal isomeriseren |
| wij | zullen isomeriseren |
| jullie | zullen isomeriseren |
| zij | zullen isomeriseren |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geïsomeriseerd hebben |
| jij | zult geïsomeriseerd hebben |
| hij | zal geïsomeriseerd hebben |
| wij | zullen geïsomeriseerd hebben |
| jullie | zullen geïsomeriseerd hebben |
| zij | zullen geïsomeriseerd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou isomeriseren |
| jij | zou isomeriseren |
| hij | zou isomeriseren |
| wij | zouden isomeriseren |
| jullie | zouden isomeriseren |
| zij | zouden isomeriseren |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geïsomeriseerd hebben |
| jij | zou geïsomeriseerd hebben |
| hij | zou geïsomeriseerd hebben |
| wij | zouden geïsomeriseerd hebben |
| jullie | zouden geïsomeriseerd hebben |
| zij | zouden geïsomeriseerd hebben |
| jij | isomeriseer |