supprimeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of supprimeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: supprimeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: supprimerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesupprimeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksupprimeer
jijsupprimeert
hijsupprimeert
wijsupprimeren
julliesupprimeren
zijsupprimeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesupprimeerd
jijhebt gesupprimeerd
hijheeft gesupprimeerd
wijhebben gesupprimeerd
julliehebben gesupprimeerd
zijhebben gesupprimeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksupprimeerde
jijsupprimeerde
hijsupprimeerde
wijsupprimeerden
julliesupprimeerden
zijsupprimeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesupprimeerd
jijhad gesupprimeerd
hijhad gesupprimeerd
wijhadden gesupprimeerd
julliehadden gesupprimeerd
zijhadden gesupprimeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal supprimeren
jijzult supprimeren
hijzal supprimeren
wijzullen supprimeren
julliezullen supprimeren
zijzullen supprimeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesupprimeerd hebben
jijzult gesupprimeerd hebben
hijzal gesupprimeerd hebben
wijzullen gesupprimeerd hebben
julliezullen gesupprimeerd hebben
zijzullen gesupprimeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou supprimeren
jijzou supprimeren
hijzou supprimeren
wijzouden supprimeren
julliezouden supprimeren
zijzouden supprimeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesupprimeerd hebben
jijzou gesupprimeerd hebben
hijzou gesupprimeerd hebben
wijzouden gesupprimeerd hebben
julliezouden gesupprimeerd hebben
zijzouden gesupprimeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsupprimeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information