sidderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sidderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sidderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sidderend
Past participle - Verleden deelwoord: gesidderd

Cognates

See the 2 cognates of sidderen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksidder
jijsiddert
hijsiddert
wijsidderen
julliesidderen
zijsidderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesidderd
jijhebt gesidderd
hijheeft gesidderd
wijhebben gesidderd
julliehebben gesidderd
zijhebben gesidderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksidderde
jijsidderde
hijsidderde
wijsidderden
julliesidderden
zijsidderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesidderd
jijhad gesidderd
hijhad gesidderd
wijhadden gesidderd
julliehadden gesidderd
zijhadden gesidderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sidderen
jijzult sidderen
hijzal sidderen
wijzullen sidderen
julliezullen sidderen
zijzullen sidderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesidderd hebben
jijzult gesidderd hebben
hijzal gesidderd hebben
wijzullen gesidderd hebben
julliezullen gesidderd hebben
zijzullen gesidderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sidderen
jijzou sidderen
hijzou sidderen
wijzouden sidderen
julliezouden sidderen
zijzouden sidderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesidderd hebben
jijzou gesidderd hebben
hijzou gesidderd hebben
wijzouden gesidderd hebben
julliezouden gesidderd hebben
zijzouden gesidderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsidder

Translations

  • stew, to be in a state of elevated anxiety
  • thrill, tremble or quiver
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    beven
    bibberen, huiveren, rillen, trillen

    Sample Sentences

    • [...] ik, wien het zien van een mijner natuurgenooten, als een overgang van den dood tot het leven, als de grootste gunst, die de hemel mij schenken kon, buiten mijn eeuwig heil, zou beschouwd hebben; ik sidderde thans op het denkbeeld van een mensch te zien, en dacht door den grond te zinken voor het zwijgend bewijs, dat een mensch zijn voet op het eiland had gezet. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch tzitteren (15th c.), from Early Modern German zittern, from Proto-Germanic *titrōną, whence also English teeter and (perhaps) dither. See: German, old spelling 'zittern', Proto-Germanic '*titrōną', English 'teeter'.

    Additional Information