funderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of funderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: funderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: funderend
Past participle - Verleden deelwoord: gefundeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfundeer
jijfundeert
hijfundeert
wijfunderen
julliefunderen
zijfunderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefundeerd
jijhebt gefundeerd
hijheeft gefundeerd
wijhebben gefundeerd
julliehebben gefundeerd
zijhebben gefundeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfundeerde
jijfundeerde
hijfundeerde
wijfundeerden
julliefundeerden
zijfundeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefundeerd
jijhad gefundeerd
hijhad gefundeerd
wijhadden gefundeerd
julliehadden gefundeerd
zijhadden gefundeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal funderen
jijzult funderen
hijzal funderen
wijzullen funderen
julliezullen funderen
zijzullen funderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefundeerd hebben
jijzult gefundeerd hebben
hijzal gefundeerd hebben
wijzullen gefundeerd hebben
julliezullen gefundeerd hebben
zijzullen gefundeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou funderen
jijzou funderen
hijzou funderen
wijzouden funderen
julliezouden funderen
zijzouden funderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefundeerd hebben
jijzou gefundeerd hebben
hijzou gefundeerd hebben
wijzouden gefundeerd hebben
julliezouden gefundeerd hebben
zijzouden gefundeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfundeer

Translations

  • underpin, To support from below with props or masonry
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    baseren
    gronden

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch funderen, from Latin fundō. See: Latin 'fundō'.

    Additional Information