bulderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bulderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bulderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bulderend
Past participle - Verleden deelwoord: gebulderd

Cognates

See the 2 cognates of bulderen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbulder
jijbuldert
hijbuldert
wijbulderen
julliebulderen
zijbulderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebulderd
jijhebt gebulderd
hijheeft gebulderd
wijhebben gebulderd
julliehebben gebulderd
zijhebben gebulderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbulderde
jijbulderde
hijbulderde
wijbulderden
julliebulderden
zijbulderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebulderd
jijhad gebulderd
hijhad gebulderd
wijhadden gebulderd
julliehadden gebulderd
zijhadden gebulderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bulderen
jijzult bulderen
hijzal bulderen
wijzullen bulderen
julliezullen bulderen
zijzullen bulderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebulderd hebben
jijzult gebulderd hebben
hijzal gebulderd hebben
wijzullen gebulderd hebben
julliezullen gebulderd hebben
zijzullen gebulderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bulderen
jijzou bulderen
hijzou bulderen
wijzouden bulderen
julliezouden bulderen
zijzouden bulderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebulderd hebben
jijzou gebulderd hebben
hijzou gebulderd hebben
wijzouden gebulderd hebben
julliezouden gebulderd hebben
zijzouden gebulderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbulder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch bulderen, also boldren, from Old Dutch *bulron, further etymology unknown. Possibly ultimately from Proto-Indo-European *bʰel- (“to make a loud sound”) via Middle Low German bulderen. See: Old Dutch '*bulron'.

Verbs referencing "bulderen"

Swedish bullra.

Additional Information