ladderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ladderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ladderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ladderend
Past participle - Verleden deelwoord: geladderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijladdert

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft geladderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijladderde

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad geladderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal ladderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal geladderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou ladderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou geladderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information